Wet Straffen en Beschermen

Op 23 juni jl. heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet Straffen en Beschermen welke naar verwachting op 1 mei 2021 in werking zal treden. Een veroordeelde voor een zwaar misdrijf komt hierdoor niet meer  na tweederde van de straf voorwaardelijk vrij. De voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) wordt maximaal twee jaar. Die kan nu nog oplopen tot wel 10 jaar. Dit lijkt misschien goed, maar de vraag is of dat ook echt zo is. En wat betekent dit nu voor iemand die nu veroordeeld wordt, maar pas in 2021 in hoger beroep kan?

Kern wet straffen en beschermen

Kern van de wetswijziging is de duur van de v.i. aanzienlijk te verkorten en het Openbaar Ministerie meer bevoegdheden te geven. Door deze wetswijziging zou tegemoet worden gekomen aan de schijnbare behoefte van de maatschappij om verdachten zwaarder te straffen en het belang van de gedetineerden om niet (meer) te recidiveren. Maar worden deze doelen ook op deze wijze behaald? Mijn antwoord is: neen!

Nu al geen automatisme

Het is niet zo dat de v.i. onder de huidig geldende wetgeving een automatisme is. Nu is het ook mogelijk voor het Openbaar Ministerie om bij ernstige misdragingen of het niet nakomen van afspraken met het Openbaar Ministerie, een verzoek tot uit- of afstel van de v.i. bij de rechtbank in te dienen. Bij toewijzing van het verzoek zal de gedetineerde terug moeten naar de gevangenis. Dan moet het restant van de straf alsnog worden uitgezeten.

Overbodig

Het is dus niet zo dat de gedetineerde na het uitzitten van 2/3 van de straf automatisch op vrije voeten komt. De grondslag van deze wetswijziging is niet gestoeld op enig wetenschappelijk onderzoek. De vraag is dan ook of er überhaupt een noodzaak is voor deze wetswijziging. Bij de recente behandeling van het wetsvoorstel op 15 juni 2020 bleek dat de Raad voor de rechtspraak, de drie reclasseringsorganisaties verenigd in 3RO en de Nederlandse orde van advocaten ook allemaal hebben gewezen op het ontbreken van de noodzaak van deze wet. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de vereniging van rechters en officieren van justitie, noemden naar verluidt het wetsvoorstel zelfs overbodig. Ik sluit mij daar bij aan.

HUIDIGE REGELING

Onder de huidige regeling bestaat de mogelijkheid dat een veroordeelde bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onder voorwaarden vervroegd in vrijheid kan worden gesteld. Dat heet ook nu al voorwaardelijke invrijheidstelling. Een veroordeelde kan bij een vrijheidsstraf van meer dan een jaar en maximaal twee jaren in beginsel voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld op het moment dat de vrijheidsbeneming tenminste een jaar heeft geduurd. Daarnaast moet van het restant tenminste een derde zijn ondergaan.

Straf van meer dan twee jaren

Indien een gevangenisstraf van meer dan twee jaren wordt opgelegd dan kan de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld wanneer hij twee derde deel van de gevangenisstraf heeft ondergaan. Kortom, na twee derde van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te hebben uitgezeten kan de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Deze voorwaardelijke invrijheidstelling kan oplopen tot een vervroegde invrijheidstelling van 10 jaren. Een voorbeeld: wanneer iemand een gevangenisstraf opgelegd krijgt van 18 jaren dan kan de veroordeelde onder de huidige regeling na 12 jaren in aanmerking voor vrijlating onder voorwaarden.

wet straffen en beschermen

In de nieuwe regeling komt iemand na het uitzitten van twee derde van de gevangenisstraf niet van rechtswege in aanmerking voor een vrijlating onder voorwaarden. De veroordeelde moet hier nu zelf om verzoeken.

Termijn twee jaren

Belangrijker is dat de periode om vervroegd in vrijheid te worden gesteld na de inwerkingtreding van de wetswijziging maximaal twee jaren (!) is. In sommige zaken kan dit onder de huidige wetgeving 10 jaren zijn. Diegenen die zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren of meer zullen hiervan de gevolgen gaan voelen. Als we weer hetzelfde voorbeeld gebruiken van zojuist: wanneer iemand een gevangenisstraf opgelegd krijgt van 18 jaren dan komt hij of zij onder de nieuwe regeling pas na 16 jaren (i.p.v. 12 jaren) in aanmerking voor de v.i. Deze nieuwe regeling geldt voor een ieder die na de inwerkingtreding van de wet wordt veroordeeld.

Ongewenste overgangsregeling

Voor verdachten is er een zeer oneerlijke overgangsregeling. De nieuwe wet gaat zoals gezegd gelden voor iedereen die na inwerkingtreding van de wet (waarschijnlijk mei 2021) wordt veroordeeld. Voor iemand die onder de huidige regeling wordt veroordeeld, valt een straf gunstiger uit dan voor iemand die na mei 2021 voor hetzelfde feit wordt veroordeeld (zie voorbeeld hierboven). Dit kan aanleiding zijn voor de veroordeelde om  niet in hoger beroep te gaan uit angst om dan strenger te worden gestraft. Als iemand in hoger beroep namelijk na mei 2021 wordt veroordeeld, kan het zijn dat hij of zij na het hoger beroep langer moet vastzitten als dezelfde straf wordt opgelegd als door de Rechtbank. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gevangenisstraf van zes jaren of meer. Dit is uiteraard een zorgelijke en ongewenste ontwikkeling omdat onschuldigen misschien onterecht afzien van hoger beroep.

Voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer het uitgangspunt

In de nieuwe regeling is de toewijzing van de v.i. derhalve niet langer het uitgangspunt. Uitgangspunt wordt nu geen v.i., tenzij… Het is het Openbaar Ministerie dat zal bepalen of de v.i. wordt toegekend, en zo ja, onder welke voorwaarden. Dit doet het Openbaar Ministerie na advies te hebben ingewonnen bij de Reclassering, bij de directeur van de gevangenis en bij zwaardere delicten een adviescommissie.

CRITERIA voor VI

Hierbij wordt gekeken naar het individuele gedrag van de gedetineerde. Vertoont deze goed gedrag in de gevangenis, dan kan hij of zij in aanmerking komen voor bepaalde vrijheden. Het gedrag van de gedetineerde in de gevangenis zal dus zwaar(der) tellen. Maar daarnaast worden ook de belangen van de slachtoffers en het belang van de samenleving bij de beslissing meegewogen. De toekenning van de vervroegde invrijheidstelling is derhalve ten gevolge van de wetswijziging aan (meer) strengere criteria gebonden.

REINTEGRATIE

Ook is het zo dat de nieuwe regeling invloed heeft op het penitentiair programma. In het huidige stelsel kan een gedetineerde soms voordat de helft van de aan hem opgelegde straf is ondergaan, in aanmerking komen voor verlof. In de toekomst worden automatisch toegekende algemene verloven vervangen door specifieke en aan de gedetineerde gekoppelde, concrete re-integratiedoelen. Het re-integratieverlof kan voorts pas in de laatste fase plaatsvinden. Dde gedetineerde kan dus ook pas in de laatste fase worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde afdeling. Het bestaande penitentiaire programma zal in de nieuwe regeling worden gebruikt voor de gedetineerden die zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden tot maximaal een jaar. Het lijkt mij een gegeven dat dit de resocialisatie van de gedetineerden niet ten goede komt. Daarmee is ook de maatschappij niet gebaat.

OPENBAAR MINISTERIE

Verder is het zo dat het Openbaar Ministerie, zonder tussenkomst van een rechter (!), bepaalt of de veroordeelde voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt. Het Openbaar Ministerie heeft door de nieuwe regeling meer bevoegdheden. Eerst moest het Openbaar Ministerie een vordering indienen bij de rechtbank om een voorwaardelijke invrijheidstelling van een gedetineerde achterwege te laten, straks kan het Openbaar Ministerie dit echter zelfstandig beslissen.

RECHTSMIDDEL(EN)

De veroordeelde kan tegen een negatieve beslissing (achteraf) bij de rechtbank binnen twee weken een bezwaarschrift indienen. De rechter zal hierbij slechts terughoudend mogen toetsen of het Openbaar Ministerie in redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen. In de tussentijd blijft de gedetineerde vastzitten. Daarnaast is het de vraag of een gedetineerde in een gevangenis(setting) en ook nog binnen de gestelde termijn, een gedegen bezwaarschrift kan opstellen en indienen. Het is dus raadzaam om hierbij een advocaat in te schakelen zodat deze de termijn kan bewaken en een goed gemotiveerde bezwaarschrift namens de gedetineerde kan opstellen.

Herziening

Voorts heeft de gedetineerde ook eenmaal de mogelijkheid om een verzoek tot herziening van het negatieve besluit te doen. Dit kan pas na zes maanden na datum van de beslissing. De vraag is of dit heel zinvol is, omdat dit verzoek om herziening bij het Openbaar Ministerie moet worden ingediend.

conclusie

Door de Wet Straffen en Beschermen wordt de maatschappij niet (meer) beschermd, terwijl de gedetineerde wel meer wordt gestraft. Daarnaast worden de vrijheden, als ook de rechten van gedetineerden, aanzienlijk beperkt zonder dat hier een wetenschappelijke studie of resultaten aan ten grondslag liggen. Veroordeelden zullen in veel gevallen langer in (kale) detentie verblijven terwijl de periode om begeleid te worden veel korter is. In de ergste gevallen zal bij vrijlating helemaal geen begeleiding hebben plaatsgevonden. Dit brengt met zich mee dat de kans op recidive mijns inziens alleen maar zal toenemen.

HEEFT U EEN VRAAG?

Gezien het bovenstaande is het raadzaam om bovengenoemde strafverhogende omstandigheden op de zitting van de Rechtbank al aan de orde stellen. De Rechter kan dan, als er een straf wordt opgelegd, bij het bepalen van de strafmaat rekening  houden. Wilt u meer informatie of krijgt u de door u verzochte informatie niet en heeft u juridische bijstand nodig? Bel ons vrijblijvend voor een nader advies.